ADHD, Sinterklaas en Zwarte Piet

zwarte piet
Er wordt geklopt. Door het raampje in de deur zie ik het hoofd van de stuiterbal die ik naar de gang had gestuurd om tot rust te komen. Dat was nodig geweest voor hem, maar ook voor mij. Het was me net even iets teveel op mijn zenuwen gaan werken: de geluidjes, het giechelen op de meest ongelegen momenten. Het contact zoeken met andere leerlingen om lol te maken. Het door de klas roepen van een vraag of een antwoord in plaats van zijn vinger op te steken. Het wiebelen op zijn stoel en nèt niet omvallen. En dat alles pal aan mijn tafel, want als hij vooraan zit “kan hij zich beter concentreren op de les”.

Hij heeft zijn goede dagen en zijn minder goede dagen. We hebben er al menig gesprekje over gevoerd en iedere keer dwingt hij mijn bewondering af door de opdracht die hij zichzelf heeft gesteld: leren omgaan met zijn ADHD zonder medicijnen. Hij vindt de voordelen van ADHD opwegen tegen de nadelen, zegt hij. Voor een jongen in een eerste klas beschikt hij over verbazingwekkend veel zelfinzicht. Hij heeft allerlei cursussen doorlopen om zijn aandacht en concentratie te leren sturen. Zijn moeder is bezig om uit te zoeken wat het effect is van bepaalde voedingsstoffen. Maar ondanks alle inspanningen van vele kanten, is de situatie soms toch helaas onhoudbaar.

Strafwerk geef ik hem nooit. Ik laat hem nablijven en dan veegt hij het lokaal met de grootst mogelijke toewijding en poetst de tafeltjes met heel erg veel sop en water brandschoon. Als hij klaar is, krijgt hij complimenten omdat hij het zo goed gedaan heeft en ik zo blij ben met een blinkend lokaal. Stralend gaat hij dan naar huis en laat me de volgende dag een groot groen kruis zien dat hij op zijn hand heeft gekladderd. Hij heeft iets onthouden, dat mij alweer helemaal is ontschoten. We hadden namelijk afgesproken dat hij voor zichzelf een herinneringsteken zou verzinnen, zodat hij niet vergeet dat hij zichzelf onder controle wil proberen te houden.

Maar het groene kruis werkt niet erg. Ik moet steeds zijn hand pakken om hem te laten zien wat daar opstaat. “O sorry, sorry, sorry!” gilt hij dan geschrokken, waardoor de hele klas moet lachen, hij van de weeromstuit met van pret fonkelende ogen in het rond kijkt en ik minstens twee minuten moet besteden aan het terugbrengen van enige rust. Na de zoveelste herhaling van zetten zeg ik dat hij naar de gang moet gaan met een boek. Als hij gekalmeerd is en weer helemaal weet wat er van hem verwacht wordt, mag hij zelf weer binnen komen. “Je mag ook even de trap op en neer rennen als dat helpt,” zeg ik erbij. Mijn stem schiet een beetje uit, ik hoor dat ik meer geïrriteerd ben dan ik zelf zou willen.

Dus als ik zijn klopje op de deur hoor en zijn ietwat beteuterde hoofd om de hoek zie komen, wil ik zijn rentree een beetje aankleden en begin te zingen: “Hoor wie klopt daar kind’ren …” Het is tenslotte Sinterklaastijd. En terwijl de klas mij bijvalt en hij met een grote grijns, maar statig wuivend als een ware goedheiligman naar zijn plaats loopt, realiseer ik me ineens dat ik iets heb nagelaten: alle Sinterklaasliedjes scannen op woorden als knecht, zwart, roet etc. En voor het eerst van mijn leven aarzel ik, zing ik niet met onbekommerd plezier de archaïsche teksten, maar houd ik me een beetje in. Mijn multi-etnische klas maakt het zichtbaar en vooral hoorbaar niets uit: zij zingen om het hardst en hebben de grootste lol. En nog een ander Sinterklaasliedje. En nog een.
Gelukkig maar.

Advertenties