Immigrantenpoëzie op leven en dood

20140609_160023

Met zijn bundel “Gedichten, in kapitalen gedrukt, maakte Yahya Hassan een verpletterend succesvol debuut. In rauwe, ritmische poëzie vertelt Hassan over zijn jonge leven dat is doordesemd van geweld, de islam, criminaliteit, drugs en instellingen. Hij wordt tegenwoordig noodzakelijkerwijs beveiligd.

Met het eerste gedicht is de toon gezet. In zevenentwintig regels met de titel “Jeugd” erboven wordt geschetst hoe vijf kinderen op een rij staan. Daarbij een vader met een knuppel. De kinderen huilen, laten urine lopen van angst. De vader schreeuwt het aantal klappen dat hij uitdeelt op de handen van zijn zoons en dochters, terwijl in een andere kamer Al Jazeera staat te loeien over Gaza en de moeder uit onmacht borden kapot gooit.

“Gedichten” kun je moeilijk achter elkaar door lezen. Je wordt een wereld ingezogen waarvan je weet dat die bestaat, maar die zich (voor de meesten onder ons) buiten het gezichtsveld bevindt. Het is bepaald niet aangenaam in die wereld. Menselijke verhoudingen zijn structureel verstoord door het vele fysieke en psychische geweld. Zelfs bij je ouders ben je als kind niet veilig. Niet als je moeder met een aansteker in de hand dreigt om je in de fik te steken als je niet stopt met het plagen van je broertjes en zusjes. En ook niet als je vader je niet alleen stelselmatig slaat, zodanig dat hij er soms zelf van buiten adem raakt, maar ook nog eens zegt dat je moeder een hoer is en dat hij wilde dat zijn kinderen nooit geboren waren. En al helemaal niet als je ziet hoe je vader je moeder met elektriciteitssnoer probeert te wurgen

De moeder loopt uiteindelijk weg en Hassan, in 1995 geboren in Denemarken als zoon van Palestijnse vluchtelingen, blijft met zijn broertjes bij zijn vader. Eén van hen is een bedplasser die steeds door vader met een vuistslag wordt gewekt uit zijn stinkend natte slaap. Het kan geen wonder heten dat Hassan op 13-jarige leeftijd onhoudbaar is. Hij wordt onder toezicht geplaatst en verhuist van het ene internaat naar de andere instelling. Op een dag komt er “een nieuwe” en dat blijkt zijn broertje te zijn. Clichés zijn niet voor niets clichés.

Vrouwenhaat

Er komen meer versleten waarheden aan bod, zoals de mannen van ruim twintig jaar ouder, die met Hassans zusters willen trouwen om ze als gehoorzame huishoudster en broedmachine te gebruiken. Ze moeten “10 dieven baren om ze te verstoten, als ze afvallig worden”. Het is maar één voorbeeld van de vrouwenhaat die in “Gedichten” beschreven wordt. Wat ook niet onvermeld blijft zijn de schotelantennes die Al Jazeera en Alarabiya het huis in brengen, terwijl er nooit naar Deense zenders wordt gekeken. De ontbrekende kennis over de Deense taal en maatschappij. De uitkeringen. De lamlendigheid. De roofovervallen. De dealers. De onmacht van hulpverlening en jeugdzorg. En steeds weer het geweld.

Naast Hassans onverbloemde kritiek op zijn vader, de hele generatie van zijn ouders en het leven in het Deense getto waar hij opgroeide, is “Gedichten” doorspekt met kritiek op de schijnheiligheid van gelovigen. In veruit de meeste gedichten staat minstens één regel die refereert aan de islam en geen enkele keer is dat in positieve zin. Zo vertelt Hassan over zijn vader die islamitisch getrouwd is, maar gescheiden voor de gemeente, zodat zijn vrouw voor de bijstand een alleenstaande moeder is. Het gaat over afvalligheid, ongelovigen, het antisemitisme als “vadermelk”, huwelijkse gevangenschap en de leegheid van religieuze dogma’s zoals hij die ervaren heeft.

Het is niet duidelijk wat Hassans grootste zonde is: hoe hij zijn vader afschildert, de kritiek die hij op de islam uit of zijn eigen afvalligheid.

EN PLOTSELING KON IK NIET LANGER BIDDEN

DE SJOFELE VERZEN VERLIETEN MIJN LIJF

EN ALS IK EINDELIJK RECITEERDE WAS HET OP EEN TOILET

OF IN DE WEELDERIGE ARMEN VAN EEN ONGELOVIGE

Feit is dat hij in Denemarken op straat is aangevallen en meerdere keren serieus is bedreigd. Zelfs tijdens een recent bezoek in Ramallah op de Westbank heeft hij moeten rennen voor zijn leven. Feit is ook dat de Deense sociaaldemocratische politicus Mohamed Suleban zich zodanig beledigd voelde door de woorden van Hassan, dat hij hem afgelopen november wegens racisme heeft aangeklaagd. In een reportage van Nieuwsuur wordt duidelijk waarom Hassan inmiddels standaard een kogelvrij vest draagt en door twee beveiligers wordt vergezeld.

Moed

“Gedichten” is om meerdere redenen een belangrijke bundel. Het is het verhaal -van binnenuit opgeschreven- van een jongeman die is opgegroeid in een getto van een multicultureel West-Europees land, zoals Nederland dat is. Daarnaast betoont Hassan zonder meer onalledaagse moed door een dergelijk verhaal op te schrijven, want hij spaart noch zijn omgeving, noch zichzelf.

Maar bovenal is de bundel ongekend ontroerend door het schrijnende onderwerp waar Hassan over schrijft, in de woorden die hij daarvoor kiest. Hassan vertelde in een mooi interview met Arjan Peters in de Volkskrant van afgelopen weekend, dat hij zich niet thuis voelt in Denemarken, maar ook niet in het land van zijn ouders. Hij voelt zich geen echte Deen. Waar Hassan wel een relatie mee heeft is de Deense taal. En dan met name zijn gedichten: daarin voelt hij zich thuis. Zou hij Slauerhoff kennen?

Tot slot de laatste regels van “Gedichten”, geschreven door een 18-jarige jongen met nog een heel leven voor zich, getekend door wat hij allemaal al heeft meegemaakt. Hartbrekend.

MIJ IK BESTRIJD JULLIE MET WOORDEN

DIE JULLIE ZULLEN BEANTWOORDEN MET VUUR

MIJ IK BEN KAFFER MIJ IK BEN MUNAFIQ

MIJ IK BEN HOND

MIJ IK BEN SMERIG MIJN ZIEL IS BEHOEFTIG

EN NAAST AL DIE MISDADEN IK ZIT TE DUTTEN IN DE VOORJAARSZON

(Deze recensie verscheen eerder op DDS.)

Advertenties