Tel Aviv onder vuur

IMG-20140711-WA0009[1]

Nog voordat ik één voet op het zinderende asfalt van het grote busstation van Tel Aviv heb gezet, voel ik het temperatuurverschil met Jeruzalem. De vochtige warmte omhelst me als een dierbare vriendin uit mijn jeugd die ik te lang heb moeten missen. Hier is geen briesje uit de heuvels die de heilige stad omringen. Als de wind aflandig is, ontbreekt iedere verkoeling.
Binnen drie kwartier heeft de lijnbus met airco me voor ongeveer vier euro van de religieuze naar de meer seculiere, in ieder geval veel mondainere hoofdstad van Israël gebracht. Een dergelijk verschil bestaat niet in Nederland. Volgens mij in geen enkel land in Europa. Misschien wel nergens?

In de taxi naar mijn hotel vraag ik de chauffeur of er nog ontwikkelingen zijn in “de situatie”. Zo wordt benoemd dat Israël sinds enige tijd onder verhevigd raketvuur vanuit Gaza ligt. Hij vertelt me wat ik al weet: die ochtend zijn er twee raketinslagen geweest in de stad. Gelukkig geen doden of gewonden, alleen materiële schade. Hij hoopt dat het allemaal snel afgelopen is. Het lijkt hem verschrikkelijk als de raketten niet zullen stoppen, zegt hij. Want dan zal Israël gedwongen zijn om Gaza binnen te trekken om op de grond te bewerkstelligen wat vanuit de lucht niet gelukt zal blijken te zijn: alle installaties uitschakelen waar vandaan de burgers van Israël nu al maanden lang worden bestookt met onder andere Iraanse raketten.

“Hamas kan het blijkbaar niets schelen als er Palestijnse doden vallen, maar wij zien dat anders. Voor ons is het leven heilig en ik wil liever niet dat er jonge mensen bij zo’n legeroperatie sterven, omdat Hamas niet stopt met ons te torpederen. Maar als het moet, dan moet het. What can I say? We moeten onszelf en onze kinderen toch beschermen?”
De radio gaat even harder als er een nieuwsbulletin wordt uitgezonden. Buiten op straat zie ik mensen flaneren in luchtige zomerkleding. De zon schijnt. Een jong stel duwt een kinderwagen voort. Het is blijkbaar spitsuur, want er is veel verkeer. Dit lijkt in geen enkel opzicht op een stad in gevaar.

Als de radio weer zachter gaat, zeg ik dat ik het zo bijzonder vind dat het leven in Israël gewoon doorgaat ondanks de voortdurende dreiging. Even schuilen als het luchtalarm klinkt en dan weer verder. Hij zegt me even rechts uit het raampje te kijken.
“Zie je dat daar? Naast die boom?”
Gelukkig is het stoplicht rood voor ons, want ik moet even goed kijken, voordat ik begrijp wat hij bedoelt. Er staat een zwarte, natuurstenen tweeledige balk, die op tweederde schuin omhoog geknakt is. Ongeveer anderhalve meter hoog en misschien dertig centimeter breed. En dan vertelt de taxichauffeur me dat dit een gedenkteken is voor een zelfmoordaanslag. Onopvallend, maar vol betekenis dus.

“Daar op dat zebrapad gebeurde het,” wijst hij. “Het was met Poerim, dus iedereen was verkleed en had maskers op.” (Poerim wordt soms wel het joodse carnaval wordt genoemd. Het is één van de grootste feesten in het Jodendom en ook door seculiere Joden wordt het met grote vreugde gevierd.)
“De straten vol met vrolijke, feestende mensen. Ook veel kinderen. Eigenlijk wilde die terrorist het winkelcentrum aan de overkant van de straat binnengaan en zichzelf daar tot ontploffing brengen, maar een bewaker ontdekte dat er iets niet klopte en hielde hem tegen. Toen explodeerde hij daar midden op straat. Ik was hier nèt weg, ik liep een eindje verderop en hoorde de knal. Ik ben terug gerend. Het was verschrikkelijk. Overal doden en gewonden. Dat vergeet je nooit meer.”
Ik probeer me maar niet eens een voorstelling te maken van hoe het er destijds uitgezien moet hebben. Zo gruwelijk. Nachtmerriemateriaal.
“Hoe lang is dat geleden?”
“Weet ik niet. Tien of twaalf jaar. Zoiets.”
Ik denk aan het hek (dat voor een deel een muur is) tussen Israël en de Westbank waardoor er nu niet meer van dat soort aanslagen plaatsvinden. En hoe Israël daarom bekritiseerd wordt…

Vanochtend op het strand ging het luchtalarm af. Sommigen namen niet eens de moeite om de zee uit te komen, blijkbaar vol vertrouwen in Iron Dome. Onder het afdak van de winkelpromenade hoorde ik twee inmiddels bekende plofgeluidjes ergens in de verte. Er tekenden zich twee witte rookpluimpjes af tegen de knalblauwe hemel.
Vanavond tijdens het eten was het weer bal toen ik net aan het genieten was van de heerlijke Israëlische keuken. Iedereen stond rustig op en wandelde naar de gang die naar de toiletten leidde: zo ver mogelijk van de ramen vandaan en met versterkte muren en plafond. Geen spoortje paniek. Zelfs geen enkel gilletje. Het is routine geworden.

Nadat de sirenes verstommen, moet je eigenlijk nog tien minuten wachten. Maar daar heeft niemand zin in. Ze willen verder met eten, drinken, praten, leven. Ik begin het hier steeds beter te begrijpen. L’chaim!

Advertenties