Verhuizing (1)

DSC02598Ze is negen jaar oud en heeft haar mooiste en nieuwste kleren aan: een hippe getailleerde overgooier van een donkerblauwe wollen stof (de twee beritste zakjes op heuphoogte vindt ze extra leuk) over een wit truitje, met daaronder een witte maillot en stoere, maar toch elegante bruine suède veterschoenen met gaatjes. Haar donkerbruine, bijna zwarte haar zit in parmantige staartjes gebonden. Haar dito ogen staan ernstig onder haar ietwat gefronste wenkbrauwen.
Het is een vrijdag in januari 1969 en ze gaat vandaag voor het eerst vliegen.

Toen haar ouders haar enkele maanden daarvoor vertelden dat ze in een ander land gingen wonen, omdat haar vader was uitgezonden voor zijn werk, had ze een enorme opwinding gevoeld. Maar toen bleek dat het Griekenland was waarheen ze zouden verhuizen, was ze in huilen uitgebarsten.
“Ik wil daar niet heen. Daar is het oorlog. Ze hebben de koning weggejaagd en nu zijn er kolonels en soldaten die…” en ze snikte maar door.
Haar jongere broertjes en zusje snapten totaal niet waar het over ging. Door haar vader en moeder voelde ze zich ook niet begrepen.
Haar ouders sputterden tegen: “Als het echt oorlog was, gingen wij er toch niet heen?! Wat denk je nou, joh…Papa is er een paar weken geleden nog geweest en hij heeft er echt niets van gemerkt hoor.”

Maar zij zag steeds maar die foto’s uit de krant voor zich. De ene van een tank in een Atheense straat met gehelmde soldatenhoofden die uit het bovenluikje piepten. De andere van koning Constantijn en zijn vrouw koningin Annemarie, die zich boven aan de trap van het vliegtuig nog eenmaal omdraaiden en voor de laatste keer zwaaiden naar hun land, voordat ze het in ballingschap moesten verlaten.

Ze had zich tot het uiterste verzet, wilde zelfs alleen achterblijven bij haar opa en oma in een ander deel van Nederland, of bij haar beste vriendin. Maar haar ouders waren standvastig: ze moest en ze zou mee. Ze hoorde bij het gezin.

Ze was niet dom. Op een gegeven moment besefte ze dat ze zich gewonnen moest geven. Ze was nog maar een kind en moest er maar iets van proberen te maken. Dus stortte ze zich op de Duitse talencursus om zich voor te bereiden op de Duitse school in Athene. Ook daar wilde ze de beste van de klas zijn.
Dat alle kinderen nog eens flink in de nieuwe kleren werden gestoken, vond ze een aardige bijkomstigheid, al was ze wel onthutst toen ze ineens iedereen kwijt was geraakt in het warenhuis. Het wachten bij de roltrap duurde zo ontzettend lang, dat ze zich afvroeg of ze nou misschien toch nog zonder haar naar Griekenland zouden gaan verhuizen.

Als het vliegtuig boven de zee bij Athene cirkelt en wel een half uur moet wachten voordat het mag landen, kijkt ze maar weer eens uit het raam naar buiten. Het is zo diep en blauw daar beneden…
Tot haar grote schrik merkt ze dat er hele stukken uit de vleugel zijn gevallen. Aan beide kanten van het vliegtuig. Zie je nou, ze had wel degelijk gelijk. Deze hele verhuizing is een heilloze onderneming. Ze zullen neerstorten en niemand zal het overleven. Het meisje voelt haar hart bonzen van radeloze angst. Ze zweet.
Alleen zij heeft het in de gaten. Alleen zij weet welk noodlot zich binnen afzienbare tijd gaat voltrekken. En het heeft totaal geen zin om anderen op de hoogte te stellen. Het vliegtuig is nu eenmaal stuk. Er zal alleen maar een afschuwelijke paniek uitbreken. Ze sterft liever in eenzame rust, dan met gegil en gekrijs in haar oren. Dus ze zit en zwijgt en wacht op het onvermijdelijke einde.

Tot haar stomme verbazing zet ze even later voet aan land. Ongeschonden. De eerste nacht in het hotel (er moet nog een huis gevonden worden) slaapt ze bijna niet. Ze is als enige van de vier kinderen de enorme zak met allerlei verschillende soorten drop kwijtgeraakt. Ze begrijpt niet waar die nou gebleven kan zijn. Ze baalt ervan, want nergens in Griekenland is er drop te krijgen.
Ook al zoiets…

Advertenties