Plantjes

24 febr 2010 100(Alweer drie jaar geleden…)
In de week voor de Kerstvakantie kwam ik in ‘mijn’ lokaal en merkte dat er twee planten verdwenen waren. Er lag her en der wat potaarde op de grond en in de prullenbak vond ik resten van wat eens een hedera en een aloë vera waren geweest. Wat was er gebeurd? Welke klas had hier les gekregen en van wie? Op dat moment vielen die vragen niet te beantwoorden, maar ze spookten door mijn hoofd terwijl ik een 1e klas Nederlandse les probeerde te geven.
Ik heb al vaak ervaren dat het in dergelijke situaties –als je gedachten elders zijn- beter is om er iets over te zeggen tegen een klas, dan om heel krampachtig te gaan doen alsof er niets aan de hand is. Leerlingen zijn gevoelig voor onderstromen en en het is niet verstandig om ‘gewoon’ les te geven, terwijl je vol met vragen of emoties zit.
“Ik ben een beetje in de war, omdat er vanochtend een andere klas les heeft gehad in dit lokaal en nu zijn er twee plantjes verdwenen,” zei ik “en dat vind ik echt heel vervelend.”
Allereerst kwamen er reacties in de trant van “Ja maar, dat hebben wij toch niet gedaan!”
Leerlingen op deze school voelen zich snel aangevallen en beschuldigd.
“Nee, zo bedoel ik het ook niet. Ik wil alleen uitleggen waarom ik misschien een beetje afwezig ben. Ik begrijp niet dat zoiets kan gebeuren.”
“Waarom heeft die leraar niks gedaan?”
Goede vraag. Wist ik geen antwoord op.
Het was in ieder geval fijn om te merken dat deze leerlingen net zo verontwaardigd waren als ik: zij vonden het ook niet leuk dat de plantjes wijlen waren en lieten en passant weten dat ze het echt waardeerden dat ik iets moois probeer te maken van dit troosteloze lokaal.

Later blijkt dat er van alles is voorgevallen tijdens de economieles van een 4e klas en dat de hoofdverdachte Ashraf is, de jongen die een paar maanden geleden zó prachtig voor me heeft gezongen dat ik er kippenvel van kreeg. Ashraf is niet altijd een lieve jongen met ontroerende kwaliteiten, hoor ik. En hij weigert tegenover èn zijn teamleider èn zijn mentor èn de betreffende leraar te bekennen dat hij die planten heeft vernield. Dus tegenover mij kàn hij (als hij het al zou willen) niet eens meer de waarheid spreken: het zou gezichtsverlies betekenen.
Ik verzin een list.
Na de kerstvakantie zie ik hem in ‘mijn’ lokaal zitten: hij heeft weer economie. Met een grote glimlach op mijn gezicht wenk ik hem en hij komt naar buiten. Ik steek mijn hand uit, hij pakt hem aan, glimlacht ook.
“Hé Ashraf, hoe is het? Ik wou je even een Gelukkig Nieuwjaar wensen. Heb je een leuke vakantie gehad?”
Hij is een beetje verbaasd: haal ik hem daarvoor de les uit?
“Ja, was ok. U ook een Gelukkig Nieuwjaar.”
“Zeg, wist je eigenlijk dat dit mijn lokaal is…..?”
De schrik in zijn ogen is er slechts een nanoseconde, maar ik heb het gezien.
We kijken elkaar recht aan, ik heb het gezien en ben daardoor gerustgesteld. Hij schudt zijn hoofd in ontkenning.
“Nee, hè? Dat dacht ik al… Een tijdje geleden zijn hier wat dingen misgegaan, terwijl ik zo mijn best doe om het een beetje gezellig te maken. Dat heb je waarschijnlijk wel gezien. Ik weet niet hoe dat precies gebeurd is en wie het gedaan heeft… Ik zou je alleen willen vragen of je voor mij een oogje in het zeil wil houden. Even opletten dat het netjes blijft en er niks kapot wordt gemaakt. Zou je dat willen doen voor mij?”
“Natuurlijk,” zegt hij, “komt in orde, juffrouw.”
Ik zeg dat ik dat heel erg waardeer en hij gaat terug naar de les.

Sindsdien is er niets meer gebeurd en een paar maanden later heb ik hem daarvoor bedankt. Hij glom van trots.

Advertenties