Sharia en Sahar

In maart 2011 besteed ik in een aantal tweede klassen aandacht aan Sahar, het in Afghanistan geboren meisje dat op jonge leeftijd naar ons land kwam en inmiddels op een gymnasium in het noorden van Nederland naar school gaat. Sahar wil later chirurg worden, vertel ik mijn leerlingen, en laat ze op het slimboard de petitie zien die online te ondertekenen valt. De petitie wordt hardop voorgelezen en we zoeken gezamenlijk uit hoe je digitaal kunt laten weten dat je vindt dat Sahar moet blijven.
Smahane, één van de meest pientere meisjes uit de klas vraagt zich hardop af of er ook zo’n petitie en ophef zou zijn als Sahar op eenzelfde school zou zitten als zij. Haar ogen fonkelen boos onder haar hoofddoekje. Ik antwoord eerlijk, dat ik dat helaas niet met zekerheid kan zeggen.
“Wie van jullie weet eigenlijk wat er in Afghanistan aan de hand is, waardoor Sahar niet terug wil?” vraag ik daarna.
Er wordt van alles geroepen, waarbij oorlog, islam en Al Qaida de boventoon voeren.
“En hier is het vrede, dus logisch dat ze wil blijven!” is de algemeen gedeelde conclusie die Bekir luidkeels trekt.
“Het is extra belangrijk, omdat Sahar een meisje is. Snappen jullie dat?” is mijn volgende stap.
Geen respons.
Dan vertel ik over de Taliban, de mannen met baarden die met geweld de sharia willen invoeren: wetgeving gebaseerd op de islam. Nog zien de meesten geen noemenswaardig probleem, want het is toch juist goed als iedereen verplicht wordt naar de moskee te gaan?
Pas als ik verder ga over vrijheid en meisjes die niet naar school mogen (zelfs zuur in het gezicht krijgen als ze toch gaan), vrouwen die niet zonder begeleiding van man, broer, oom of neef over straat mogen en gedwongen worden een burka te dragen omdat ze anders mannen verleiden, wordt het onrustig in de klas.
“Dan blijven die mannen maar binnen, als ze er niet tegen kunnen! Wat een onzin! We sluiten ze op!” roept Khadija. Ze is er bij gaan staan, steekt haar vuist in de lucht en kijkt stralend lachend de klas rond. Haar vriendinnen Smahane, Chaima en Ouassima worden ook helemaal vrolijk en enthousiast. En net als ik worden alle meiden in de klas aangestoken door het opgewonden gegiechel. De jongens zijn niet opgewassen tegen al deze vrouwelijke overmacht en houden zich er liever even buiten. Alleen Ali kijkt me recht aan, met zijn vinger in de lucht.
Als de rust is weergekeerd, krijgt hij het woord.
“Hebt u een dochter, juffrouw?”
En als ik knik: “Hoe oud is ze?”
“Ze is 21.”
“Vindt u het goed dat ze alleen over straat loopt en dat vreemde mannen naar haar kijken en haar misschien wel aanraken?”
Hij is bloedserieus.
“Mijn dochter is vrij om te gaan en te staan waar ZIJ wil, Ali. En als een man of een jongen haar aanraakt terwijl ze dat niet wenst, dan geeft ze hem een keiharde trap tussen zijn benen!”
De meiden in de klas joelen weer.
Ali doet er wijselijk het zwijgen toe. Voor nu.
Ik weet niet of hij zusjes heeft.
Ik hoop het niet voor ze.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s