Over een plant en emoties

Aan het begin van het lesuur sta ik bij de deur om iedereen te begroeten met een hand en wat persoonlijke aandacht: een grapje, een aansporing, een compliment. Vandaag spreek ik ook nog even apart op de gang met een jongen die ik er de vorige keer moest uitsturen omdat hij een brutale mond tegen me had. We maken goede afspraken en lopen samen de volle klas in. De les kan beginnen.
Maar dan staat ineens de conciërge in de deuropening en vertelt hoe er enkele minuten geleden vanuit het gebouw een plant naar beneden is gegooid: bijna op het hoofd van een paar jongens uit de 5e klas die prompt op weg naar boven waren gegaan om verhaal te halen…
Ik ben de enige in de hele school die planten in het lokaal heeft, maar voor de zekerheid loop ik even naar mijn tafel, vlak bij het geopende raam. Een kleine hortensia is weg, zie ik. Het witte schoteltje, dat als onderzetter diende, staat er nu een beetje sneu en nutteloos bij. Er borrelt iets in mij naar boven: een mengeling van woede, teleurstelling en moedeloos verdriet.
“Wie heeft dit gedaan?” vraag ik 24 leerlingen: 12 meisjes en 12 jongens. Ik kijk ze indringend aan. Het is mijn mentorklas. Sommige van deze leerlingen geef ik nu voor het vierde jaar les en van het overgrote deel was ik vorig jaar ook al mentor. Bij de meesten heb ik mijn sporen dus wel verdiend. Toch weet ik zeker dat de dader zich niet zomaar melden zal (of bij mij gesnitcht zal worden) en dat het heel wat tijd en moeite gaat kosten om erachter te komen wie deze stomme, nutteloze en vooral destructieve daad op zijn geweten heeft. Maar ik geef het niet zomaar op. Dit is veel te belangrijk. En dan heb ik het niet over die plant.
Het is stil, er wordt hooguit wat ongemakkelijk geschuifeld.
En dan zeg ik, terwijl ik het woedende trillen van mijn stem zoveel mogelijk ruimte geef: “Dat dacht ik al: niemand gaat mij iets vertellen… Dan ga ik nu de klas uit en hoor ik later wel van jullie wie het gedaan heeft. Desnoods blijven we tot 5 uur in dit lokaal. Desnoods bel ik al jullie ouders op en vraag ze naar school te komen. Er is hier iemand die een plant van mij uit het raam heeft gegooid en er zijn mensen die het gezien hebben. Zoek het maar lekker uit. Jullie hebben een probleem en jullie gaan het oplossen.”
Ik ben nog niet bij de deur of het pandemonium breekt los: er wordt naar mij en naar elkaar geroepen en gegild en geschreeuwd. Ze doen maar. Ik had niet anders verwacht. Het kantoor van mijn teamleider is gelukkig dichtbij en nadat ik hem in het kort heb verteld wat er is voorgevallen, besluiten we samen dat hij gaat proberen de dader te achterhalen.
Ik ga een eindje verderop in de gang staan en staar wat uit het raam. Het is vrijdagmiddag en ik ben moe van een hele week hard werken. Maar hier word ik ècht helemaal gaar van: een leerling doet iets wat niet hoort of mag en onmiddellijk sluiten de gelederen zich. Je staat als mentor tegenover een groep leerlingen, die het belangrijker vindt elkaar niet te verraden dan de vertrouwensband met mij ongeschonden te laten. Balen. Machteloosheid.
“Juffie, wat is er?” Emre, die ik vier jaar geleden in de eerste klas Nederlands heb gegeven, komt naar me toe. Hij was degene die me als brugklassertje aan het eind van de les altijd bedankte met letterlijk zijn hand op zijn hart, trouwhartig naar me opkijkend. Nu is hij langer dan ik en zijn stem is gezakt. In het kort vertel ik hem over mijn frustraties. Hij vindt het ook belachelijk en doet een vergeefse poging me op te beuren. Hij blijft nog even bij me staan, als om me troost te bieden, maar hij moet naar zijn les, wenst me sterkte en vertrekt.
Vlak daarna –we zijn inmiddels een kwartiertje verder- komt de teamleider grijnzend verslag uitbrengen. “Ik ben er zóver vanaf.” Hij houdt zijn wijsvinger een paar millimeter van zijn duim. “We hebben goed met elkaar gesproken en ik verwacht nu heel snel een uitkomst. Ik heb ze gewaarschuwd dat ze op moeten schieten, omdat het probleem anders echt groot wordt. Dit gaat lukken, Maja.” Zijn vrolijkheid en optimisme werken aanstekelijk.
Ineens staan er twee meiden voor ons. Glinsterende ogen, giechelig.
“Meester, wij weten wie het heeft gedaan! Het was Fatih. Kubra heeft het gezien en in ons oor gefluisterd. Ze durfde het niet te zeggen net in de klas.”
Kubra komt ook aangerend en zegt hijgend tegen mij: “Belachelijk juf, waarom doet hij nou zoiets?! Is hij gek geworden? Ik zag het hem doen en kon het gewoon niet geloven. Dat is toch raar?!”
Fatih is nieuw in de klas en tot voor kort heb ik hem nog nooit les gegeven. Dat hij het heeft gedaan, stelt me enigszins gerust, maakt het minder erg.
We lopen samen terug naar de klas. De teamleider zegt Fatih even met hem mee te komen en de meiden en ik gaan op onze plaats zitten. Langzaam sterft het geroezemoes weg als ik begin te vertellen hoe ik vier jaar geleden op school kwam werken en het een kale, troosteloze bende vond. Dat ik daarom planten en bloemen voor dit lokaal heb gekocht, die ik water geef en waarvoor ik zorg. Dat ik daarom schilderijtjes, posters en ansichtkaarten heb opgehangen. Dat je het mooi kunt vinden of niet, maar dat het persoonlijke dingen zijn van mij die ik naar school heb gebracht, zodat het hier gezellig is en we samen in een betere sfeer kunnen werken. En dat het me juist daarom pijn doet en boos maakt als leerlingen daar totaal geen respect voor opbrengen en de boel vernielen.
Uit de reacties is op te maken dat ze heel goed snappen waar ik het over heb. Gelukkig. Als de bel gaat, hebben we nog niet veel aan werkwoordspelling kunnen doen, maar zijn er andere, ook belangrijke lessen geleerd.
Fatih komt in de pauze naar me toe en biedt deemoedig zijn excuses aan. Hij zal vijf middagen na schooltijd de conciërge moeten helpen met het opruimen van het schoolplein en het bijhouden van de plantsoenen. Bovendien gaat hij een nieuwe plant in een mooie pot voor me kopen. En hij zal het echt nooit meer doen, maar ze hadden net een rotopmerking gemaakt tegen hem en hij voelde zich al niet zo best en toen had hij zomaar in een opwelling iets gepakt en naar beneden gegooid…
Ik vertel hem dat ik zijn mentor ben en dat ik door het vuur ga voor mijn leerlingen, maar dat ik dat alleen voor elkaar krijg als ik daarvoor vertrouwen en respect terug krijg. Met het hoofd gebogen zegt hij zachtjes dat hij het snapt.
Hand erop, zand erover.
Als ik later op twitter kijk, zie ik een mention van Emre: “Medelijden met Juf @MajaMischke.” En de eerstvolgende les na het weekend krijg ik een dieppaars bloeiende aster van Fatih in een mooi potje, verpakt in cellofaan met een grote strik erop.

Advertenties