Lunch in Athene

Vlakbij Syntagma runnen broer Yannis en zus Christina, afkomstig uit Chania (Kreta), sinds drie maanden een modern vormgegeven, maar toch prettig aandoend etablissementje. Ze zijn halverwege de dertig en serveren koffie en andere dranken met daarbij lekkers -hartig en zoet- gemaakt met ingrediënten van ‘hun’ eiland. Er is zelfs biologisch bier te verkrijgen. De airco is weldadig. Buiten is het zeker 36 graden.
Ik bestel een espresso freddo en een salade met Kretenzer kaas en praat wat met Christina. Ze spreekt vloeiend Engels, heeft in de Balkan gewerkt, maar wilde toch weer terug naar Griekenland. Als ik zeg dat ik het zo’n mooi en aangenaam land vind, trekt ze een gezicht.
“Dit is een fantastisch land voor rijke mensen en toeristen. Als je hier hard moet werken, omdat je iets wil bereiken of opbouwen zoals wij, is het een heel ander verhaal. Dat lukt niet zonder dat je de juiste mensen kent. Een vergunning krijg je bijvoorbeeld pas na heel lange tijd…of helemaal niet. Geloof me, ik weet waar ik het over heb. Het is om gek van te worden soms.”
Als ze weer achter de balie verdwijnt en ik ga eten, zie ik door het raam hoe een klein oud vrouwtje in de brandende zon over de stoep schuifelt. Ze komt naar binnen. Helemaal in het verschoten zwart gekleed: blouse met lange mouwen en daar een vestje overheen, halflange rok, kousen, stoffige schoenen. Het enig ‘kleurige’ aan haar is de hoofddoek die ze draagt. Donkerblauwe bloemen op een zwarte ondergrond. Beetje krom gegroeid, stok in de ene hand, papieren beker in de andere. Met gestrekte arm houdt ze die beker voor zich uit in mijn richting, onverstaanbaar mompelend. Er zitten twee pakjes papieren zakdoeken in, blijkbaar voor de verkoop. Smekend kijkt ze me aan met haar donkere kleine oogjes in een verrimpeld gezichtje, de huid gelooid door de zon.
Ik vraag de eigenaresse in het Engels of ik haar iets zal geven.
“Nee, laat mij maar,” antwoordt Christina.
Ze buigt zich over het vrouwtje heen en vraagt wat ze nodig heeft.
“Wil je eten?”, als het oude mensje wederom iets onverstaanbaars heeft teruggezegd.
“Ja,” is dan het duidelijke antwoord.
“Wil je een sinaasappel?”
Het vrouwtje knikt enthousiast.
Nadat ze hem met een lichte buiging van het hoofd heeft aangepakt, werpt ze Christina kushandjes toe, waarbij ze in een vrolijke grijns laat zien dat ze bijna geen tanden meer in haar mond heeft. Als ze daarna richting de deur stiefelt, komt ze langs de vitrine met gebak. Ze wijst op een zoet koekje en kijkt -een stuk opgewekter nu- naar haar weldoenster, die vraagt of ze niet liever wat hartigs wil. Maar nee, de zoete moet het zijn!
Zorgvuldig, met een zilverkleurige gebakstang pakt Christina het aangewezen koekje, vouwt het in een servetje, dat weer in een zakje gaat. Als ze dat aan het oude vrouwtje overhandigd heeft, krijgt ze nog meer kushandjes toegeworpen.
Samen kijken Christina en ik het mensje zwijgend na, totdat ze uit het zicht geschuifeld is, de hete middag weer in.
“Wat een leven,” verzucht ik, in een poging om recht te doen aan het zware gevoel dat is blijven hangen.
“Ja, en zeker als je zo oud bent en je pensioen is heel erg klein en dat je dan zo aan je eten moet komen. Ik vind het vreselijk als ze om geld vragen, maar eten geef ik altijd.”
Mijn gedachten gaan heel even naar (twitterend) Nederland…

Advertenties