Petje op, petje af – september 2008

Terwijl Zoon dezer dagen voor zijn literatuurlijst Bint van Bordewijk leest, heb ik op woensdagochtend in de aula van mijn school ‘dienst’: ik houd toezicht. Er hangt een onrustige sfeer. Misschien omdat het nu halverwege de tweede week van ramadan is. Door het aanhoudende slaapgebrek en het vasten worden de leerlingen hangerig, slap en misselijk aan de ene kant en luidruchtig, uitgelaten en enigszins recalcitrant aan de andere kant.
Iemand van de bewaking komt naar me toe. Of ik die jongen ken, die met dat witte shirt, die rechts bij het raam zit.
Ik kijk en heb werkelijk geen idee.
“Waarom wilt u dat weten?” vraag ik.
“Hij had net zijn pet op en ik ben naar hem toegegaan om te vragen of hij hem af wilde zetten. Dat deed hij. Maar toen ik me even later omdraaide had hij hem gewoon weer opgezet. Dus ging ik naar hem toe en vroeg hem zijn naam en zijn klas. Die wilde hij niet geven.”
“En zijn pasje? Hebt u hem naar zijn pasje gevraagd?”
“Ja, maar ook dat weigerde hij te tonen.”
“Ik ga er wel even heen,” zeg ik en loop naar het groepje waarvan de betreffende jongen deel uitmaakt.
“Kan ik je even spreken?” vraag ik hem.
“Waarom?””
Eén en al weerbarstigheid.
“Kom nou even, ik wil je alleen maar iets vragen.”
De nieuwsgierigheid wint blijkbaar en we lopen samen naar het midden van de aula, buiten gehoorsafstand van zijn vrienden. Ik wil vermijden dat ik binnen no-time in discussie ben met een hele groep en bovendien hoop ik dat hij meer aanspreekbaar is als hij niet stoer hoeft te doen tegenover de rest.
Hij is een flinke kop groter dan ik als hij voor me staat, beetje bleek in het ronde gezicht, grote bruine ogen, bijna kaal geschoren hoofd.
“Ik hoor net van de bewaking dat jij je naam en klas niet wil zeggen en je pasje niet wil laten zien. Klopt dat?”
“Hoezo?”
Dit gaat lastig worden. Hij kijkt me niet aan, maar fixeert zijn blik op de vloer schuin achter me. Zijn hele lichaamshouding straalt afwijzing uit.
“Ik weet niet hoezo. Dat wil ik nou juist van jou horen. Het had iets te maken met dat je je pet ophad en toen weer af en toen weer op? ”
“Ik zit hier niet eens op school.”
“Als je hier niet op school zit, mag je hier niet zijn.”
“Ik zit hier wel op school, maar ik wil geen problemen.”
“Kun je me alsjeblieft aankijken als we met elkaar praten?”
Hij richt zijn blik met duidelijke tegenzin op mij.
“Wat voor problemen bedoel je?”
“Dat ik me ’s ochtends drie kwartier eerder moet melden ofzo. Of ik moet mijn pet inleveren. Ik vind dat belachelijk. Waarom mag je geen pet op?”
Blik weer op de grond.
“Juist als je geen problemen wilt, zorg je ervoor dat je de regels niet overtreedt.”
“Ik was het gewoon even vergeten… wat is nou het probleem? Je kunt toch wel eens iets vergeten?”
Nog steeds zijn zijn ogen nààst mij gericht. Ik voel hoe verwarrend dat voor me is: het maakt me onrustig. Dus vraag ik hem weer me aan te kijken. Pas na twee keer aandringen, reageert hij. Maar het is voor slechts enkele seconden.
“Hoe kun je zoiets nou vergeten?”
“Ik schaam me voor mijn haar. Het is veel te kort, dus wil ik mijn pet ophouden.”
“Staat je anders best leuk, hoor. Daar hoef je je echt niet voor te schamen.”
Een kleine glimlach. Hij kijkt me aan, onwillekeurig. Wrijft even over de korte stoppeltjes.
“Zorg gewoon dat je het niet meer vergeet, dan krijg je ook geen problemen, ok?”
“Ja, is goed.”
Hij loopt terug naar zijn groepje en ik raak in gesprek met een andere leerling. Even later gaat de bel en in de verte zie ik hem de aula uitlopen.
Met zijn pet op!
Ik trek een kleine sprint. Ik zie hoe hij een bewaker passeert, die hem zegt zijn pet af te doen. Hij gehoorzaamt, loopt een paar meter en zet hem weer op. Op dat moment haal ik hem in en ga ik voor hem staan met uitgestoken hand.
“Ik denk dat je hem nu maar aan mij moet geven.”
Ineens komt er een andere jongen langszij, grist de pet weg en gaat ervan door. Verbluft draai ik me om, waardoor de petdrager zijn kans schoon ziet en er ook tussenuit knijpt. Een eindje verderop komt de pet weer bij de rechtmatige eigenaar terug, die hem lachend op zijn hoofd plant, mij aankijkt en een klaslokaal inloopt.
Om mij heen staan leerlingen uit een eerste klas die ik lesgeef. Ze zijn helemaal ontsteld en onthutst.
Binnen een paar tellen ben ik in het lokaal, waar een vrouwelijke collega (kleiner van stuk en smaller van bouw dan ik) in een felle discussie is verwikkeld met dezelfde jongen. Hij gaat tegen haar tekeer; het is nog net geen schreeuwen, maar het is helemaal niet zoals het hoort.
“Mag ik even van u weten hoe deze leerling heet en welke klas dit is?” vraag ik haar als ze me opmerkt.
“Dit is Yassine uit 4C.”
“Dank u wel, dan weet ik genoeg,” en ik loop de gang weer in.
Aan het einde daarvan hoor ik rennende voetstappen achter me. Het is Yassine.
“Waarom heeft u mijn naam gevraagd?” zegt hij. Zijn blik is woest, zijn houding komt dreigend over. Dat hij kwaad is, lijdt geen twijfel.
“Wat denk je zelf?”
“Zeg het me! Waarom moest je mijn naam weten?”
“Je?! O nee…,” zeg ik en steek mijn hand op borsthoogte in een afwerend gebaar naar hem op, “als je zo gaat beginnen zijn we uitgepraat.”
Ik draai me om en loop weg, zeker wetend dat hij me niet achterna zal komen.

Terug in de lerarenkamer schiet ik de eerste de beste collega aan en vertel haar het verhaal van de jongen en het petje en de dreiging die er vanuit ging toen hij zo achter me aankwam in de gang.
“Wat kan ik hier nou het beste mee doen?” vraag ik haar tot slot.
“Melden aan de mentor,” is het resolute antwoord, “en die moet dan maar kijken hoe dit afgehandeld wordt. Maar je moet het melden, anders gebeurt er sowieso niets.”
Tot mijn vreugde zijn er zelfs formuliertjes om dit soort incidenten te registreren.
Aangezien de collega me heeft aangeraden om mijn melding persoonlijk te overhandigen, in plaats van het via een postvakje te spelen, zoek ik de betreffende mentor op in haar lokaal.
Bijna opgewekt neemt ze mijn ingevulde formulier in ontvangst en begint hele verhalen te vertellen over de klas, die ze dit jaar onder haar hoede heeft gekregen: hoe slecht de werksfeer is, hoe de leerlingen met pennen en andere voorwerpen door de klas gooien, hoe er gescholden wordt en hoe ze al om een co-mentor heeft gevraagd, omdat ze het eigenlijk niet alleen aan kan.
“Ik hoef hier nog maar een paar jaar en ik laat me echt niet gek maken door die kinderen, hoor.” Dappere, maar ook wat droevige glimlach.
De moed zakt me enigszins in de schoenen. Is dit mijn voorland?
“Maar wat ga je er nou mee doen?”
“Ik ga zo met zijn ouders bellen en ik maak een kopie van jouw briefje en geef dat aan de teamleider, want die moet hier ook van weten, vind ik.”
Als ik aan het einde van de middag naar huis fiets, weet ik niet wat ik mag verwachten.

De volgende ochtend (donderdag dus), in de eerste pauze al, komt die teamleider met het kopietje in de hand naar me toe en vertelt me dat hij Yassine al gesproken heeft en hem een aulaverbod heeft opgelegd voor een week. Ik was namelijk niet de enige die op dezelfde dag een aanvaring had gehad over zijn slechte gedrag in het algemeen en zijn petje in het bijzonder. Hij vertelt dat hij een goed maar stevig gesprek heeft gehad en dat hij niet denkt dat de jongen het mij nog persoonlijk kwalijk zal nemen. Ik hoef niet bang voor hem te zijn.

Maar later merk ik dat ik er nog niet helemaal op gerust ben en dat ik geen zin heb om hiermee rond te blijven lopen. Per e-mail meld ik aan de teamleider dat ik graag ook nog een korte ontmoeting wil om het incident echt af te ronden.
En alweer wordt er razendsnel gehandeld, want vanochtend in de kleine pauze zit ik met Yassine en de teamleider om de tafel. Dat wil zeggen: wij zitten aan tafel en Yassine heeft zijn stoel demonstratief een halve meter naar achteren geschoven.
“We zijn hier bij elkaar, Yassine, omdat Mw. Mischke graag nog iets tegen je wil zeggen over wat er deze week gebeurd is.”
Yassine kijkt naar de grond.
“Ik vind het eigenlijk heel vervelend” begin ik vol goede moed, “dat we elkaar op deze manier zijn tegengekomen. En daarom wil ik met nadruk tegen je zeggen dat het er mij niet om gaat dat ik je een nare jongen vind, maar dat het me puur en alleen om je gedrag ging. Ik ken je verder niet, dus daar heb ik geen oordeel over. Je lijkt me eigenlijk best een aardige jongen, maar we moeten ons allemaal aan de schoolregels houden en daar ging het me om. Snap je dat?”
Ik heb het gevoel alsof ik tegen een muur praat. Hij keurt me geen blik waardig. Zo voelt het althans.
“Waarom mogen we eigenlijk geen pet op?” vraagt hij fel. Niet aan mij, maar aan de teamleider, die hij wèl aankijkt nu.
De teamleider zegt dat het daar nu niet om gaat.
“Je mag ook niet door rood rijden, da’s ook een regel en daar houden we ons ook aan.”
“Ja, logisch,” reageert Yassine heel gevat, maar ook wel wat voorspelbaar, “dat is omdat er anders ongelukken gebeuren in het verkeer. Maar waarom zou je geen pet op mogen?”
En daarmee gebeurt er iets, wat ik al veel vaker heb bemerkt. In plaats van dat een leerling ronduit toegeeft dat hij een regel heeft overtreden en dat dat niet kan, weet hij het gesprek heel handig dusdanig te sturen (door steeds maar vragen te stellen, is me opgevallen) dat de ànder zich gaat verantwoorden. Terwijl dat op dat moment helemaal niet onderwerp van gesprek zou moeten zijn. En ja hoor, de teamleider gaat erop in: het heeft met respect te maken. En uiteraard neemt Yassine daar geen genoegen mee, want of er dan uitgelegd kan worden wat respect nou eigenlijk is: een pet ophebben heeft daar helemaal niks mee te maken, etc. En pas dàn zegt de teamleider waar het op staat.
“Hoor eens Yassine, we hebben het hier al over gehad. Je hebt toegegeven dat je hartstikke fout zat en je hebt straf gekregen. Ik heb toen ook tegen je gezegd dat het me een goede zaak lijkt als je Mw. Mischke bij gelegenheid nog je excuses zou aanbieden. Dat kan nu, dus ga je gang.”
“Ik ga mijn excuses niet aanbieden,” zegt hij dan, armen over de borst gekruist, ogen naar beneden.
“Waarom niet?” vraagt de teamleider.
“Omdat ze liegt.”
“Hoezo?”
“Ik heb geen je tegen haar gezegd.”
Het is net alsof ik niet aanwezig ben.
“Je hebt je niet gedragen zoals het hoort, Yassine. Excuses zijn daarom op hun plaats. Als je weigert, ga ik je ouders bellen en vragen of die voor een gesprek op school komen.”
Even is het stil.
“OK… ik bied mijn excuses aan.”
Voor een halve seconde gaat zijn blik in mijn richting.
“Fijn dat je dat zegt en fijn dat je me er even bij aankeek. Ik ga er vanuit dat dit de laatste keer is, dat we elkaar op deze manier treffen,” is mijn reactie, terwijl ik me afvraag of dit allemaal nou wel zo pedagogisch is. Ik kan namelijk met geen mogelijkheid inschatten wat het effect van deze exercitie is op Yassine. En daar gaat het toch om? Of gaat het ook om andere dingen?
De bel snerpt, de pauze is voorbij.
“Ga maar gauw naar je les,” zegt de teamleider.
Yassine (die al was opgestaan) is binnen no time het lokaal uit.
De teamleider grijnst.
“Gewoon recalcitrant pubergedrag, door de omstandigheden een beetje uitvergroot,” is zijn analyse. Hij is duidelijk tevreden.
Als één en ander na een paar uurtjes bezonken is, voel ik me toch ook wel wat beter door het gesprek. De angel is eruit tussen Yassine en mij. Daar moet ik in ieder geval maar op vertrouwen.

Advertenties