Boterbabbelaar

Het is zondagmiddag en buiten schijnt een warme herfstzon. Ik loop door de verlaten gangen van het zorgcentrum. Vroeger heette dat bejaardenhuis. Ik klop op deuren en wacht. Soms wordt er opengedaan, andere keren ga ik voorzichtig naar binnen. Ik herinner de bewoners eraan dat over een half uur een voorstelling van Jordanese liedjes begint in de grote zaal. Sommigen reageren blij verrast en zeggen dat ze er zo aankomen. Een mevrouw ligt -gekleed in een keurig mantelpakje- helemaal om een kussen heen gekruld op bed en zegt: “Ik slaap. Dat doe ik altijd na het eten.”
Op de eerste verdieping staat een deur wagenwijd open. Ik kijk naar binnen en zie een mager vrouwtje met halflang grijs haar bijna dubbelgevouwen in een leunstoel zitten. Schuin voor haar staat een rollator: zo’n looprekje met wieltjes. Vanuit het gangetje vraag ik haar of ze zin heeft om mee naar beneden te gaan om naar de muziek te luisteren. Ze verstaat me niet. Met een paar passen ben ik vlak bij haar en gehurkt vraag ik het nog een keer. Ze buigt zich helemaal naar me toe, waarbij haar kin bijna op haar knieën valt. “Bent u een vrijwilligster?”
“Ja, en als u wilt, breng ik u naar beneden naar het optreden. Ze gaan muziek maken.”
“Ach, ik houd helemaal niet van muziek.”
Ze gaat weer achterover zitten en kijkt me met haar diepliggende kraaloogjes aan.
“Ik hoor bijna niets en ik zie bijna niets. Ik kan niet meer lezen. Ik kan geen televisie kijken of naar de radio luisteren. Ik versta de mensen bijna niet. Dan wordt het leven zo ontzèttend saai. Ik vind er niks meer aan.” Even klinkt ze heel erg boos.
“Zal ik u een keer komen voorlezen?”
“Wat zegt u?” En ze komt weer helemaal naar voren. Met harde stem herhaal ik mijn vraag, mijn mond is heel dicht bij haar oor.
“Dat zou veel te vermoeiend zijn voor u: u moet dan zo hard schreeuwen.” zegt ze, zachtjes met haar hoofd schuddend. “Maar ik vind het heel vriendelijk aangeboden, dank u wel hoor.”
Ik neem haar uitgestoken hand in de mijne en streel haar even over haar arm. Ze is mager en voelt oneindig kwetsbaar. Ze pakt een plastic bakje van het tafeltje naast haar en houdt me dat voor. “Wilt u misschien een snoepje?”
“Ik neem een boterbabbelaar.” krijs ik.
Ze glimlacht: “Ja, doe maar. Die zijn lekker, hè?”

Advertenties