De dochter uit Afghanistan

(Voorjaar 2001, de tijd dat ik vrijwilligerswerk deed in een vluchtelingenkamp in de havens van Amsterdam West.)
Zij is een beeldschoon Afghaans meisje van nog geen twintig. Donkerglanzend haar dat tot over haar schouders valt. Fijne, lange gekrulde wimpers. Haar ogen zijn chocoladebruin, met een zweem van groen. De intelligentie en de levenslust stralen er vanaf en hangen als een magnetisch veld om haar heen. Als ze glimlacht, zie ik parelwitte tanden. Als ze giechelt, hoor ik vogeltjes kwetteren in het ruisende gebladerte van eeuwenoude stammen.
Haar vader was ooit een knappe man. Nu heeft hij een buikje, hij wordt wat kaal en zijn mooie grijsgroene ogen staan een beetje dof. Hij weet al zo veel meer van de wereld dan zijn glanzende dochter. Hij kent de mannen die in zijn land de macht hebben en haar onverbloemde schoonheid niet kunnen verdragen. Op zijn papieren zie ik dat hij hier verblijft met zijn echtgenote en vier kinderen: zes pasfotootjes zijn naast elkaar vastgeniet.
Hij vraagt in vormelijk Engels of er al nieuws is over zijn broer, die zich ergens in Nederland bevindt. Via mijn collega heeft hij gisteren een “tracingsverzoek” ingediend. Door een centraal registratiebureau kan iemand worden opgespoord en in kennis gesteld van het feit dat een vriend of familielid contact wil maken. Helaas is er nog niets bekend. Desalniettemin bedankt hij me diverse malen en buigt daarbij lichtjes zijn hoofd.
Een paar dagen later loop ik door één van de lange tenten, die opgedeeld zijn in compartimenten met daarin een tafel met wat stoelen, zes lockers en drie stapelbedden. De matrassen en kussens zijn omhuld met plastic hoezen. De bedden worden met papieren wegwerplakens en -slopen opgemaakt. Het raam kan niet open.
Ik zie de Afghaanse vader zwijgend aan tafel zitten, samen met zijn vrouw. Een zoon ligt languit op bed. Zodra ze me opmerken, staat iedereen op en heet me welkom.
“Alles goed?” vraag ik.
De man haalt vermoeid zijn schouders op, maar zegt “Ja, prima.”.
“Hoe lang blijven jullie nog hier?”
“Morgen worden we met de bus naar Zevenaar gebracht.”
Ik schud hem en zijn vrouw de hand en wens hen veel succes. En weer bedankt hij me met een lichte buiging van zijn hoofd.
Buiten in de zon schommelt de dochter zo hoog als ze kan.

Advertenties