Land in oorlog

181120126170(Opgetekend in 2008)

Sinds bijna 10 jaar nu koop ik groene pitloze olijven met heel veel knoflook en peterselie bij hetzelfde winkeltje bij mij in de buurt. Het is gelegen op de hoek van de Aalsmeerweg en de Rietwijkerstraat en het heeft achtereenvolgens toebehoord aan een Marokkaanse, een Pakistaanse en tegenwoordig weer een andere -ook gebrekkig Nederlands sprekende- eigenaar. Het recept wordt blijkbaar samen met de inventaris doorgegeven, want de olijven blijven onveranderd lekker: in de salade of zomaar los uit ’t handje.

Sinds een jaar of twee staat er een Arabisch ogende, tanige, trotse man van een jaar of veertig achter de toonbank van de winkel. Zwart haar, diepbruine ogen, scherpe blik en dito gelaatstrekken. Gelukkig heeft hij een bijzonder vriendelijke glimlach, anders zou hij met dit uiterlijk en zijn diepe basstem een onverzettelijke, bijna dreigende indruk maken. Zijn vrouw is ronduit mooi met haar lange zacht-krullende haren. Alles lijkt wel zacht aan haar: haar wangen, haar ogen, haar mond, haar welvingen, haar stem. Les extrèmes se touchent…
Het heeft lang geduurd, voordat ik durfde te vragen waar ze vandaan komen.

Op een dag biedt de televisie in de winkel uitkomst. Die staat namelijk bijna altijd aan op een zender waarop voor mij onverstaanbaar wordt gesproken en uit de letters kan ik ook geen wijs. Dit keer lijkt het -aan de heftigheid van de emoties, de beperkte cameravoering en de eenvoudige aankleding van de set te zien- op een soap.
“Drie scheppen?” vraagt de eigenaar, terwijl hij een plastic zakje richting de bak met mijn favoriete olijven beweegt en de grote lepel alvast pakt. Ik bestel altijd hetzelfde.
“Ja, graag,” antwoord ik en concentreer me weer op de gebeurtenissen op het televisiescherm, die hij ook met een half oog blijft volgen. Op een gegeven moment hoor ik hem aanstekelijk grinniken. Ik draai me naar hem om.
“Waar gaat het over?”
Hij kijkt me aan met glimmende ogen van de pret en wil het me uit gaan leggen, maar haalt dan hoofdschuddend zijn schouders op en zegt lacherig: “Eigenlijk allemaal domme dingen, veel te ingewikkeld.”
We grinniken allebei een beetje, terwijl hij het zakje met olijven op de weegschaal legt. En dan durf ik het.

“Waar komt u eigenlijk vandaan?” vraag ik.
“Uit Irak.” zegt hij en het lijkt alsof zijn ogen ineens doffer zijn geworden.
“Ooooh, uit Irak.”
Er valt een zware stilte.
Shit, wat moet ik nou zeggen?
“Het is 3 Euro 45,” redt hij mij.
Ik geef hem een vijfje en krijg wisselgeld terug.
Maar ik wil het hier niet bij laten. Dat zou te makkelijk zijn.
Dan: “En woont er nu nog steeds familie van u?”
“Mijn moeder woont daar.”
“Kan zij niet ook hierheen komen?”
“Nee, zij wil dáár blijven. Zij is oud.”
“Maar dan maakt u zich zeker wel vaak zorgen om haar?”
“Elke dag.” Hij zucht diep.
“En kunt u haar bellen?”
“Soms. Soms kunnen wij bellen.”
Nadat ik hem veel sterkte heb gewenst, verlaat ik de winkel.

Een volgende keer is er een voetbalwedstrijd op de televisie. De eigenaar begroet me weliswaar als ik binnenkom, maar kan vervolgens nauwelijks zijn aandacht verschuiven naar de verkoop van olijven. Bij navraag blijkt Irak een kwalificatiewedstrijd te spelen voor het WK van 2010. Ze spelen thuis tegen Qatar, vertelt de eigenaar.
“Thuis? In Bagdad?” vraag ik verbaasd.
“Neenee, niet in Irak. Dat kan niet, door oorlog. In Dubai. Irak speelt al 20 jaar alle thuiswedstrijden in Dubai. Is al 20 jaar, oorlog in Irak.”

Een paar weken later kom ik de winkel binnen op het moment dat hij nèt bezig is om de olijven te vermengen met knoflook en peterselie. Het is zo klaar, zegt hij. Terwijl hij doorwerkt, bekijk ik de schappen eens nader. Rozenwater uit Libanon, kikkererwten uit Turkije, zeezout uit Griekenland, couscous uit Marokko, verschillende chutneys uit India, rijst uit Suriname: de hele wereld lijkt wel vertegenwoordigd. Er is ook Maggi aardappelpuree… Mijn oog valt op een potje dadelstroop uit Basra.
Als ik het op de toonbank zet, draait hij het etiket naar zich toe en vraagt me of ik weet waar Basra is.
“Ja, in Irak.”
Een goedkeurende knik.
En dan vertelt hij me dat het daar gemiddeld 48 graden is, bijna te heet voor mensen. Maar ideaal voor dadels. En hoe er daar vroeger 150 verschillende soorten dadels groeiden, miljoenen bomen, die ieder jaar weer een ongelofelijk rijke oogst opleverden. Het is duidelijk merkbaar hoe fijn hij het vindt om eens iets anders over zijn land te melden dan de gebruikelijke ellende.
“Maar ja,” besluit hij, “nu, door oorlog is bijna niets meer van al die dadelbomen. Allemaal plat door de bommen.”
Even kijkt hij me ietwat moedeloos aan.
“’s Winters eten veel mensen in Irak dadelstroop”, gaat hij vervolgens snel door, “omdat er zoveel energie in zit. Je wordt er helemaal warm van als je er een lepeltje van eet, met wat brood. En dan nog wat tahin (sesampasta) erbij…”
Het is zo lekker: dat moet ik echt eens proberen.

De melancholie is bijna tastbaar.
Kloteoorlog.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s