Kauwgom

Het is vrijdagmiddag, de schoolweek is bijna afgelopen en ik “mag” een tweede klas nog een uurtje Nederlands geven, terwijl ze hiervoor gym hebben gehad… Wie heeft dit bedacht? Of over het hoofd gezien? Maakt niet uit: de leerlingen en ik moeten ermee zien te dealen.
Eén voor één komen ze binnendruppelen, zodat uiteindelijk 10 minuten na het officiële begin van de les iedereen op zijn plek zit. Er wordt gepraat, gelachen en geschuifeld: niemand heeft zin om zijn boek te pakken en aan de slag te gaan, terwijl dit doorgaans een klas is, die juist ambitieus is en genoegen schept in hard werken.
Ik zie hoe de kaken van één van mijn favoriete leerlingen fanatiek op en neer gaan. Maryam heeft donkerbruin glanzende krullen, hazelnootkleurige ogen en een vrolijke mond. Ze praat en lacht graag en heeft meestal nauwelijks moeite met de lesstof. Ik heb me al vaak afgevraagd waarom ze in een vmbo-basisklas zit, maar zij schijnt zich er wel prettig bij te voelen. Soms een beetje te… dan kan ze stuurloos overkomen. Maar dat is nog nooit onoverkomelijk gebleken.
Van haar mentor heb ik vernomen dat Maryam’s vader dominant is en dat ze soms erg bang voor hem kan zijn. In het begin van het schooljaar kwam hij een keer samen met Maryam bij mij de klas binnen om haar te verontschuldigen. Ze was te laat, maar dat kwam door hem, dus ik moest haar niet opschrijven. Hij had met haar moeten praten over iets. Verbaasd signaleerde ik het verschil in Maryam’s doen en laten: haar hoofd was ietwat gebogen, ze was heel stil en glimlachte op een gedweeë, bijna huichelachtige manier die ik niet van haar kende. De vader was nogal lang van stof. Met harde stem en ingewikkelde zinsconstructies nam hij zonder aarzeling zoveel ruimte in, dat ik me er niet helemaal gemakkelijk bij voelde.
“Maryam,” zeg ik.
Pas als ik mezelf met nadruk twee keer heb herhaald, kijkt ze me aan met grote ogen die onschuld veinzen. Ik maak een gebaar waarbij ik met mijn vinger naar mijn mond wijs en vervolgens naar de prullenbak die bij de deur van het lokaal staat.
“Spuug je kauwgom maar even uit,“ spoor ik haar aan en ga verder met mijn pogingen om de pubers voor mij tot stilte te manen. Maryam blijft zitten.
“Toe nou even,” en ik knik met mijn hoofd richting de prullenbak.
“Ik heb het al doorgeslikt,” snerpt ze door de klas, terwijl ze triomfantelijk rondkijkt.
“Da’s niet de bedoeling: weet je wel hoe slecht dat is voor je ingewanden? Je moet nooit je kauwgom doorslikken.”
“Pfh,” ze haalt haar schouders onverschillig op, “maakt toch niks uit.”
We zetten de les -zo goed en zo kwaad als het gaat- voort, totdat ik merk dat ze weer (of nog steeds?) op iets zit te kauwen. Ik zie duidelijk iets wits tussen haar kiezen heen en weer gaan.
“Nou Maryam,” begin ik op klagerige toon, “zit je weer te kauwen! Ik wil nu ècht dat je naar de prullenbak loopt en het uitspuugt, hoor.” Ik zucht er demonstratief bij, zet mijn hand op mijn doorgezakte heup en schud mijn hoofd: volkomen bereid om er –zo vlak voor het weekend- samen met haar een grappig toneelstukje van te maken.
Geen goed plan blijkbaar, want ze gaat helemaal los.
Met een enorme stem gaat ze tekeer over hoe ik haar beschuldig van iets dat niet waar is, hoe ik haar uitmaak voor leugenaar, want ze had toch gezegd dat ze het had doorgeslikt en nu begin ik weer en waarom ik haar niet met rust laat en waarom ik haar altijd moet hebben, etc. De rest van de klas vindt het natuurlijk prachtig en doet waar mogelijk nog een extra duit in het zakje: sensatie!
Ik ben volkomen verrast en kan nog maar net een klein restje professionele waardigheid vinden om boven het ontstane tumult uit te roepen, dat ik de discussie nu wil sluiten en dat Maryam na de les even in de klas moet blijven.

Als de bel is gegaan, probeert ze er tussenuit te piepen, maar ik houd haar tegen.
“Maryam, wat is dit nou? Ik ben dit helemaal niet van je gewend.”
“Ik had toch zeker geen kauwgom in mijn mond. Ik had het doorgeslikt. Dan hoeft u toch ook niet zo raar tegen me te doen?!”
Ze is duidelijk niet van plan om in te binden.
“Ik heb het echt gezien. En ik snap best dat het misschien moeilijk voor je is om zoiets toe te geven als de hele klas erbij aanwezig is, maar nu zijn we alleen. Dus zeg nu eens eerlijk: had je kauwgom in je mond of niet?”
“Nee.”
Haar antwoord is zó resoluut en ze kijkt me zó recht aan dat ik even begin te twijfelen aan mijn eigen waarneming. Maar ik heb het toch gezien?!
“Luister meissie. Ik weet niet hoe het komt, maar hier klopt iets niet. Ik dacht dat wij het goed met elkaar konden vinden en nu merk ik dat je de waarheid niet spreekt. Ben je boos op mij? Heb ik iets verkeerds gedaan?”
Ze schudt haar krullen heftig heen en weer. Ik baal hier echt van: hoe doorbreek ik dit? Ik voel me moe en klemgezet. Maar ik wil niet opgeven.
“Nou, kom op dan. Dit is een kwestie van vertrouwen en ik vind het echt heel vervelend dat je nu tegen me staat te liegen. Zo komen we niet verder.”
En dan ineens draait ze zich om en loopt van me weg met snelle pas. Op mijn roepen reageert ze niet. Ik volg haar naar het lokaal waar ze nu blijkbaar les heeft en vraag mijn collega of ik Maryam nog even kan spreken, omdat we nog niet klaar zijn en ze zomaar is weggelopen. Aan mijn hakkelende zinnen merk ik dat dit me meer aangrijpt dan misschien verantwoord is: pedagogische distantie is ver te zoeken.
Als Maryam en ik samen op de gang staan, lopen haar ogen na mijn eerste woorden al vol. Bruusk draait ze zich van me af en kijkt naar buiten, terwijl de tranen geluidloos over haar wangen stromen. Haar armen voor de borst gevouwen, hoofd rechtop. Trots.
“Wat een verdriet. Gaat het thuis niet goed?”
Het is het eerste dat me te binnen schiet.
Ze knikt heftig.
“Heb je ruzie?”
Weer dat knikken.
Heel voorzichtig leg ik mijn handen in een troostend gebaar op haar schouders. Gelukkig, het mag. Ik mompel wat over dat ik het niet wist en hoe naar ik het voor haar vind.
Na een tijdje zo gestaan te hebben, vraagt ze of ze even haar gezicht mag wassen in de wc. Als ze terug is, hebben we het helemaal niet meer over de kauwgom. Terwijl ik haar handen vasthoud, spreken we af dat ze het in het vervolg even bij mij meldt als ze zich niet lekker voelt, omdat ik heus wel begrijp dat ze dan anders reageert op dingen en dan kan ik daar rekening mee houden.
“En hoe moet dat nou in het weekend? Als je zo’n ruzie hebt?”
“Ik ga denk ik bij mijn tante slapen of mijn oma.”
“Ja, doe dat maar. En dan hoop ik dat je het daar heel fijn hebt, want ik vind je een lieverd hoor.” Met een zachte blik in haar ogen kijkt ze me aan en gaat dan terug naar haar klas.

Vanochtend stond ik bij mijn lokaal om leerlingen voor het volgende uur te begroeten en een hand te geven. Bij één van hen constateerde ik kauwgom in de mond.
”Spuug dat maar even uit,” zei ik en wees naar de prullenbak.
Ineens staat Maryam bij ons en zegt breed grijnzend tegen de leerling, terwijl ze hem een stevige klap op de schouder geeft:
“En ga het nou maar niet ontkennen, want daar komen alleen maar problemen van!”
Ze geeft me een knipoog en loopt snel door.

Advertenties