Ouders en straf

Ik loop langs het lokaal waar leerlingen, die de les zijn uitgestuurd, worden opgevangen. Door de grote ramen zie ik hoe Mouad uit de eerste klas daar voor zich uit zit te dromen. Een paar uur eerder heb ik een stevig gesprek met hem gehad, want hij bleek zijn strafwerk niet gemaakt te hebben. Dat had hij gekregen, omdat hij eerder een les had verstoord door een scheldwoord door de klas te roepen. Toen ik hem daar op aansprak, had hij het -zonder enige hartstocht, bijna routineus- eerst maar eens ontkend.
“Ah joh, Mouad. Daar gaan we het toch niet over hebben? Ik heb gehoord dat je het zei. We moeten het nu eens worden over hoe we dit afhandelen, zodat het niet nog een keer gebeurt.”
“Gaat u mijn ouders bellen?”
Mouad klonk ongerust.
“Waarom zou ik je ouders bellen?”
“Meester Boogaerts had dat gezegd: als ik me nog één keer slecht gedraag, gaat hij mijn ouders bellen.”
Meester Boogaerts is de mentor van Mouad.
“En dat wil jij liever niet?”
“Nee.”
Heel beslist.
“Waarom niet?”
Hij haalde zijn schouders op, maar hoe ik ook doorvroeg: op die vraag kwam geen antwoord.
“Geeft u me dan strafwerk, juffrouw, als u maar niet mijn ouders belt.”
“Weet je het heel zeker?”
“Ja,” met een heftig hoofdknikken, “en zegt u het dan niet tegen meester?”
“Ik moet hem vertellen wat er is gebeurd, maar ik zal hem vragen je ouders niet te bellen.”
Mouad toonde zich duidelijk opgelucht en samen hadden we de hoeveelheid regels afgesproken, die Mouad de eerstvolgende les bij mij zou inleveren.

Vanochtend was die eerstvolgende les, maar Mouad had zijn strafregels niet bij zich. Dus kreeg hij er flink wat bij, wat hij zonder enig protest accepteerde.
En nu is hij er blijkbaar uitgestuurd…
Ik vraag de toezichthoudende collega of Mouad even op de gang mag komen.
“Wat is er aan de hand, jongen? Ik maak me zorgen. Eerst heb je je strafwerk niet af en nu ben je er door iemand uitgestuurd.”
Hij kijkt me aan met zijn bruine ogen en dan richt hij zijn blik snel naar beneden, hevig knipperend. Gaat hij huilen?
“Vertel eens, wat is er gebeurd dat je nu niet in de les bent?”
En dan komt er een heel verhaal, waaruit moet blijken dat Mouad er eigenlijk part noch deel aan heeft. Het zijn allemaal omstandigheden buiten hem om: andere leerlingen, de juffrouw en nog veel meer. Af en toe biggelt er een traan over zijn wangen, die hij dan verwoed wegveegt.
“Misschien moeten we nu toch maar je ouders bellen, zodat die je kunnen helpen met je tas inpakken, zodat je in ieder geval de juiste spullen bij je hebt.”
Zijn ogen zijn heel donker als hij me aankijkt en met een verstrakt lijf zegt: “U begrijpt het niet! Moslim ouders zijn niet als Nederlandse ouders! Ze gaan mij niet helpen. Mijn moeder zegt dat ik het zelf moet doen en mijn vader wordt alleen maar boos.”
Zodra hij is uitgebriest steekt hij zijn handen in zijn zakken. Zijn blik gaat naar beneden. Met zijn rechtervoet trapt hij machteloos tegen de muur. Als ik mijn hand op zijn schouder leg, voel ik hoe hij zich weer wat ontspant.
“Maar je bent toch nog een kind, Mouad? Je ouders mòeten je toch helpen?”
“Mijn ouders zijn nooit naar school geweest. Die weten er niks van. Als ik het niet goed doe op school en meester gaat bellen, dan krijg ik alleen maar problemen. Mijn vader….”
Hij valt stil.
“Wat is er met je vader?”
Mouad kijkt me niet aan, zwijgt.
“Wordt je vader heel erg boos op je?”
“Moslim ouders anders zijn anders dan Nederlandse ouders!”
“Slaat hij je als hij boos op je wordt?”
Blik naar beneden, knikkend koppie.
Ojee.
“Een tikje of slaat hij je op je hoofd ofzo? Dat het echt flink pijn doet?” Mouad knikt weer.
“Soms duwt hij me… en dan val ik op de grond en…”
Z’n stem wordt nu heel iel. Ik kan hem nog maar net verstaan.
“En dan schopt hij je?” vraag ik door.
Terwijl ik het tafereel in gedachten voor me zie, realiseer ik me dat ik niet kan nagaan of hij de waarheid spreekt. Maar iets zegt me dat ik het risico niet mag nemen om hem niet te geloven, om hem in de steek te laten. Dat zou namelijk oneindig veel schadelijker zijn dan wanneer ik misschien achteraf moet vaststellen dat hij me iets op de mouw staat te spelden.
Mouad knikt weer, terwijl hij nog steeds naar de grond kijkt en de tranen langzaam op zijn trui druppen.
“Ach jochie toch,” zeg ik en geef hem een aai over zijn stugge haar. Heel even staan we zo zwijgend naast elkaar in de lange, hoge gang van de school.
“Gaat meester nou naar huis bellen of u?” vraagt hij dan.
”Ik zal hem in ieder geval vertellen wat wij nu besproken hebben, want het is belangrijk dat hij dat ook weet.”
“Morgen lever ik mijn strafwerk in, juffrouw. Of misschien straks in de grote pauze. Ik denk dat ik het nog wel afkrijg.”
“Heel goed, Mouad, want dan is dat tenminste opgelost.”
“Vertelt u het niet aan andere kinderen?”
Ik schud mijn hoofd en steek mijn hand naar hem uit. Hij legt de zijne erin, we kijken elkaar even aan en dan hij loopt het lokaal weer binnen.
Ik ga op zoek naar zijn mentor.

Advertenties

3 gedachtes over “Ouders en straf

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s