Geen dag hetzelfde

Uit augustus 2008, toen ik net begonnen was op mijn huidige school in A’dam West.
Elke ochtend als ik naar mijn nieuwe school fiets, weet ik niet wat me te wachten staat. Geen dag is hetzelfde. Verwachtingen komen (bijna) nooit uit.
Het rottigste dat ik tot nu toe heb meegemaakt, was gisteren in een derde klas.
Als ik met mijn rug naar de leerlingen toe sta om iets op het bord te schrijven, wordt er een klein propje papier nèt naast mijn hand gemikt. Ik kan niet met zekerheid zeggen wie het heeft gedaan.
Vlak daarvoor heb ik wèl een dader kunnen aanwijzen, namelijk degene die een stukje gum op mijn tafel had gegooid. Het paste precies op de geschonden gum die op tafel lag bij de leerling die heel erg nadrukkelijk naar buiten keek toen ik vroeg “Wie heeft dat gedaan?”.
Ik scande zijn tafelblad, zag iets liggen dat een match zou kunnen zijn, liep er snel naar toe en ja hoor: bingo!
“Juf is vet slim! CSI!” werd er opgetogen, maar ook een beetje opruiend geroepen.
“Het ging per ongeluk,” zwetste de jongen uit zijn nek.
“Als het nog een keer gebeurt, zet ik je eruit,” zei ik tegen hem, voor iedereen te verstaan, in de hoop dat ik het kinderachtige gedrag in de kiem had gesmoord.
En nu is er weer iets naar me gegooid en heb ik geen flauw idee wie het heeft gedaan.
Ik draai me om, glimlach vriendelijk, ga zitten en kijk de klas eens rond. Verwachtingsvolle ogen zijn op mij gericht.
Sensatiezoekers.
“Is er iemand die me wil vertellen wie dat propje gooide?” vraag ik met rustige stem.
“Ik heb het niet gedaan!”
“Waarom kijkt u mij nou aan?”
“Wat is er gebeurd?”
Allemaal door elkaar heen. Allemaal jongens. Harde stemmen, bijna schreeuwend, maar zeker roepend. De meiden stil of stiekem giechelend. Al met al een flink pandemonium.
Ondertussen begin ik een zogenaamd uitstuurbriefje in te vullen voor de leerling die ik in eerste instantie heb betrapt. Ik leg het bij hem op tafel met de duidelijke boodschap “Met dit briefje stuur ik je uit de les en jij weet nu heel goed wat je moet doen.”
Hij sputtert een beetje tegen, maar begint wel zijn spullen te pakken. De jongens trekken weer van leer en beginnen een hoop gedoe over waarom ik hem eruit stuur, want weet ik wel zeker dat hij het heeft gedaan en dat is niet eerlijk, etc.
“Daar gaan we het nu niet over hebben, want we gaan weer aan het werk,” is mijn reactie.
Pfoeh, dit is echt aanpoten…
Het moeilijkste is het om volstrekt rustig te blijven: niet alleen uiterlijk, maar vooral innerlijk. Ik ben nieuw op school en de leerlingen willen testen of ik omver ga of overeind blijf, want ze willen weten of ze iets aan me hebben. In hun leven is er al meer dan genoeg waar ze niet op kunnen bouwen.
Als ze bezig zijn, loop ik langs de tafels en probeer zoveel mogelijk positieve dingen te benoemen. Ook bij de jongens met de grootste bek. Die hebben vaak een klein hartje, toch?

In één van de eerste klassen zit een engeltje. Ik weet het zeker. Grote bruine ogen waar de kinderlijke onschuld vanaf spat. Nog een beetje rond in de ledematen, maar het gaat niet lang meer duren voordat hij echt gaat groeien. Hij geeft me aan het einde van het uur steeds met plezier een hand, kijkt me recht aan en zegt: “Dank u wel voor de fijne les, juf.”
Als hij mijn hand loslaat, legt hij de zijne even op zijn hart.
Hoe zal hij zijn in de derde klas?

Naschrift
Het engeltje is groter geworden inmiddels en zit in de 3e klas. Met zijn 15 jaren vraagt hij mij -midden in de school, waar iedereen het kan zien- om een knuffel. “Juffrouw, hou me heel lang vast!” Ik doe dat met alle liefde en plezier.
We twitteren ook. Trouwens.

Advertenties