Boos

Ze wil het tweede jaar niet nog een keer doen, ze wil niet bij al die “stomme kleuters” in de klas zitten en ze wil mij niet als mentor, want ik wil dat ze haar jas uitdoet tijdens de les en me minstens een keer per dag een hand geeft terwijl ze me aankijkt. Soms staan in het lokaal de stoelen in de kring en dat vindt ze al helemaal belachelijk en kinderachtig.
“Nee juffrouw, dat doe ik niet, ik zit niet meer op de basisschool, wat denk je nou?! Ik ga niet in een kring, tfoeh!”
Ze is blijven zitten, ze mist haar beste vriendinnen die wel naar de derde zijn gegaan en ze is boos. En dat zullen we weten ook.

Dus neemt ze haar boeken niet mee naar de les, komt ze heel vaak te laat (’s ochtends en na de pauzes), doet ze niet mee met gym, wordt ze er bijna dagelijks uitgestuurd (omdat ze zo’n grote mond heeft tegen docenten of de les compleet verstoort met kletsen) en haalt ze ongekend lage cijfers. Ze schreeuwt, vloekt, scheldt en dreigt ook met fysiek geweld: “Pas maar op hoor, ik ga je djoeken!”.
Tja, wat moet je ermee?

Ik heb besloten om in ieder geval niet kwaad op haar te worden en niet mee te doen met al het drama. Af en toe zeg ik dat ook tegen haar: “Je bent boos en ik snap dat wel. Toch moet je ervoor zorgen dat je dit jaar overgaat, anders heb je pas echt een probleem. Ik ben je mentor en wil je graag helpen, maar ik ga niet tegen je terug schreeuwen of schelden. Ik blijf rustig wachten totdat jij ook weer rustig bent.”
Dan kijkt ze me een beetje ongelovig lachend aan en weet niet wat ze terug moet zeggen.

De les na de middagpauze is al een kwartiertje gevorderd als ik aan de klas vraag of iemand weet waar Leyla is. Ze was vanochtend wel op school, toch? Dat wordt beaamd, maar niemand uit de klas heeft een idee waar ze kan zijn.
Een minuut of vijf later gaat de deur open en staat Leyla daar. Haar ogen staan donker onder haar bijna zwarte krullen. Van achter mijn tafel spreek ik haar aan alsof er niet veel aan hand is.
“Hé Leyla, wat fijn dat je er bent. We zijn alvast begonnen, maar ik was wel een beetje ongerust over waar je nou was.”
Met een heftige beweging gooit ze haar arm de lucht in.
“Alsof ik er iets aan kan doen dat ik te laat ben! Echt niet en ik ga me ook niet melden morgenochtend. Neeneenee, denk dat maar niet, juffrouw, want ik doe het niet.”
Er wordt gegrinnikt door de andere leerlingen en dat maakt haar alleen maar feller. Haar hoofd schiet naar voren, de schouders achteruit.
“Wat lachen jullie me uit? Geloven jullie me soms niet?! Maak me niet boos hoor. Jullie maken me boos!!!”
Uiteraard wordt er alleen maar meer gereageerd, maar Leyla heeft nog niet het soort sociale vaardigheden ontwikkeld dat ze dat kan snappen. Ik sta al bij haar.
“Kom, wij praten er even over in de gang, dan kan de klas gewoon aan het werk blijven,” zeg ik, terwijl ik haar zachtjes naar buiten werk en de deur achter ons sluit. Door het raam kan ik de andere leerlingen in de gaten houden.

“Ze maken me boos juffrouw, dat moeten ze niet doen.” Ze zit er nog helemaal in.
“Ik ben benieuwd naar hoe het nou komt dat je ruim een kwartier te laat bent voor de les. Wat is er gebeurd?”
“Ik was een broodje gaan halen bij Valentino, die zaak een eindje verderop, want ik had toch geen eten bij me? Dan moet ik toch iets te eten halen? Nou, en daar stond toen zo’n lange rij, dus ik kan er niks aan doen!”
Ze haalt haar schouders op als om te zeggen dat het allemaal zo klaar is als een klontje: wie dit niet snapt is knettergek en dan houdt het op voor haar.
Mijn wenkbrauwen gaan verbazing veinzend omhoog, terwijl ik mijn plezier in de hele scene niet langer onderdruk: ik moet er echt een beetje van giechelen. Leyla kijkt me aan alsof ik niet goed bij m’n hoofd ben.
“Luister nou eens, Leyla,” zeg ik opgewekt, “de pauze duurt een half uur en het is jouw verantwoordelijkheid dat je dan gegeten en gedronken hebt, naar de wc bent gegaan, je boeken uit je kluis hebt gehaald en op tijd in de les bent. Klopt dat?”
“Jaja, op zich wel. Maar ik kan er toch niks aan doen dat er daar zo’n lange rij staat?! En juffrouw, ik ga me echt niet melden morgenochtend omdat ik te laat ben, want het is niet mijn schuld.”
“Daar hebben we het straks nog wel over, maar wat ik nu wil weten is of je je spullen bij je hebt voor Nederlands, want we gaan zo nakijken.”
“Nee natuurlijk niet,” briest ze, “ik dacht: de les is toch al bijna voorbij.”
Weer moet ik lachen: Leyla’s logica is er een waar je geen speld tussen krijgt.
“Valt best mee. Dus ga nu maar even je boeken uit je kluisje halen en dan zie ik je zo.”
Ze knikt en gaat op weg.

Vrolijk loop ik het lokaal binnen waar de andere leerlingen natuurlijk willen weten wat er nou aan de hand was en waarom ik zo’n lol heb. Als ik het ze vertel zien ze er de humor wel van in, maar vinden me toch voornamelijk een gekke juf. Ondertussen duurt het behoorlijk lang voordat Leyla met haar boeken aan komt zetten: wel een minuut of tien. Op het moment dat Leyla wil gaan zitten en het heel erg stil is in de klas, zegt de kleinste, maar slimste jongen van de klas: ”D’r stond zeker een lange rij bij de kluisjes…”
Iedereen moet lachen, behalve Leyla die reageert als door een wesp gestoken.
“Hoezo hebt u alles verteld? U weet toch dat ik dat niet wil. Hou op met lachen, jullie maken me boos…” en daar gaat de hele riedel weer, van voren af aan.
Waar haalt ze in godsnaam de energie vandaan?

Advertenties